JACOB VAN EYCK, de ‘Orfeus van Utrecht’

 Jacob van Eyck (ca. 1590–1657) is met stip Utrechts belangrijkste muzikale zoon. ‘De Orfeus van Utrecht’ werd de jonkheer bij zijn overlijden genoemd, ‘eer en roem der kunstenaren’.

In zijn persoon vloeiden een aantal bijzondere gaven samen die hem internationale faam brachten. Als blindgeborene beschikte hij over een uitzonderlijk scherp gehoor. Van Eyck was degene die de boventoonstructuur van klokken wist te ontrafelen en ontdekte zo hoe ze gestemd kunnen worden. In samenwerking met de klokkengieters Hemony leverde deze kennis de eerste goed gestemde carillons op. Een Hemony geldt nog altijd als de Stradivarius onder de klokkenspellen. De Utrechtse carillons van de Dom en de Nicolaïkerk zijn er treffende voorbeelden van.

Behalve klokkendeskundige was Van Eyck ook stadsbeiaardier, en bovendien een begenadigd virtuoos op de blokfluit. Op mooie zomeravonden speelde hij dit instrument voor de wandelaars op het Janskerkhof. De muziek, tijdens zijn leven gedrukt in Der Fluyten Lust-hof, geldt tot op de dag van vandaag als dé uitdaging van iedere professionele blokfluitist, waar ook ter wereld. Van Eyck varieerde op de internationale tophits van zijn tijd. Het is popmuziek avant la lettre.

Van Eyck zelf schroomde niet om de liedjes die hij hoorde in de kroeg als uitgangspunt te nemen voor zijn virtuoze variatiereeksen. Hij maakte geen onderscheid tussen zogenaamde hoge of lage cultuur. Volkscultuur was in de 17e eeuw voor iedereen, de elite incluis. En het variëren op bestaande melodieën was een hele gangbare improvisatie- en compositiemethode.

Zo zou je van Eyck als een verre voorganger van Arjen de Vreede kunnen beschouwen omdat hij de bestaande muziek ‘sampelde’, als een dj avant la lettre. Die manier van werken is vandaag de dag door opnames, vinyl, synthesizers en computers de gewoonste zaak van de wereld geworden.